Scouts
Insigne eisen oud
Als je een insigne wil halen, moet je dit eerst overleggen met de leiding. Klik op het insigne voor de eisen...
Deze insignes zijn niet meer verkrijgbaar. De insignes zijn vervangen. De nieuwe insignes zijn hier te bekijken.
a-b-c-d-e-f-g-h-i-j-k-l-m-n-o-p-q-r-s-t-u-v-w-x-y-z
 |
Atletiek
- Leg uit wat het belang is
van een warming-up en cooling-down en vertel hoe lang deze
fasen duren. Demonstreer de daarvoor benodigde losmakende en
rekkingsoefeningen op de juiste wijze.
- Verzamel informatie over
goed schoeisel, onder- en sportkleding,
beschermingsmateriaal (reflecterend) en de vereiste
lichamelijke verzorging na het sporten.
Maak een collage
waar je deze informatie in verwerkt.
- Neem onder deskundige
begeleiding deel aan atletiek-trainingen, tot je uit het
totaal van onderstaande onderdelen minstens gemiddeld 3
punten scoort.
Sprint (in seconden)
|
Jongens:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
60 m
|
13,5
|
12,5
|
11,5
|
10,5
|
9,5
|
|
12 - 13 jaar
|
80 m
|
15,0
|
14,0
|
13,0
|
12,0
|
11,0
|
|
14 - 15 jaar
|
100 m
|
16,5
|
15,5
|
14,5
|
13,5
|
12,5
|
|
Meisjes:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
60 m
|
13,5
|
12,5
|
11,5
|
10,5
|
9,5
|
|
12 - 13 jaar
|
80 m
|
15,5
|
14,5
|
13,5
|
12,5
|
11,5
|
|
14 - 15 jaar
|
100 m
|
18,0
|
17,0
|
16,0
|
15,0
|
14,0
|
1 km hardlopen (in minuten)
|
Jongens:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
|
4.45
|
4.30
|
4.15
|
4.00
|
3.45
|
|
12 - 13 jaar
|
|
4.15
|
4.00
|
3.45
|
3.30
|
3.15
|
|
14 - 15 jaar
|
|
4.00
|
3.45
|
3.30
|
3.15
|
3.00
|
|
Meisjes:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
|
5.00
|
4.45
|
4.30
|
4.15
|
4.00
|
|
12 - 13 jaar
|
|
4.45
|
4.30
|
4.15
|
4.00
|
3.45
|
|
14 - 15 jaar
|
|
4.30
|
4.15
|
4.00
|
3.45
|
3.30
|
Horden (in seconden)
|
Jongens:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
60 m
|
18,0
|
17,0
|
16,0
|
15,0
|
14,0
|
|
12 - 13 jaar
|
80 m
|
19,5
|
18,5
|
17,5
|
16,5
|
15,5
|
|
14 - 15 jaar
|
100 m
|
21,0
|
20,0
|
19,0
|
18,0
|
17,0
|
|
Meisjes:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
60 m
|
18,5
|
17,0
|
16,0
|
15,0
|
14,0
|
|
12 - 13 jaar
|
80 m
|
19,5
|
18,5
|
17,5
|
16,5
|
15,5
|
|
14 - 15 jaar
|
100 m
|
21,0
|
20,0
|
19,0
|
18,0
|
17,0
|
Hoogspringen (in meters)
|
Jongens:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
|
0,80
|
0,90
|
1,00
|
1,10
|
1,20
|
|
12 - 13 jaar
|
|
0,90
|
1,00
|
1,10
|
1,20
|
1,30
|
|
14 - 15 jaar
|
|
1,00
|
1,10
|
1,20
|
1,30
|
1,40
|
|
Meisjes:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
|
0,70
|
0,80
|
0,90
|
1,00
|
1,10
|
|
12 - 13 jaar
|
|
0,80
|
0,90
|
1,00
|
1,10
|
1,20
|
|
14 - 15 jaar
|
|
0,90
|
1,00
|
1,10
|
1,20
|
1,30
|
Verspringen (in meters)
|
Jongens:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
|
2,70
|
3,00
|
3,30
|
3,60
|
3,90
|
|
12 - 13 jaar
|
|
3,00
|
3,30
|
3,60
|
3,90
|
4,20
|
|
14 - 15 jaar
|
|
3,30
|
3,60
|
3,90
|
4,20
|
4,50
|
|
Meisjes:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
|
2,50
|
2,75
|
3,00
|
3,25
|
3,50
|
|
12 - 13 jaar
|
|
2,75
|
3,00
|
3,25
|
3,50
|
3,75
|
|
14 - 15 jaar
|
|
3,00
|
3,25
|
3,50
|
3,75
|
4,00
|
Kogelstoten (in meters)
|
Meisjes:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
2 kg
|
4,25
|
5,25
|
6,25
|
7,25
|
8,25
|
|
12 - 13 jaar
|
3 kg
|
4,50
|
5,50
|
6,50
|
7,50
|
8,50
|
|
14 - 15 jaar
|
4 kg
|
4,75
|
5,75
|
6,75
|
7,75
|
8,75
|
|
Meisjes:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
2 kg
|
4,25
|
5,25
|
6,25
|
7,25
|
8,25
|
|
12 - 13 jaar
|
3 kg
|
4,50
|
5,50
|
6,50
|
7,50
|
8,50
|
|
14 - 15 jaar
|
4 kg
|
4,75
|
5,75
|
6,75
|
7,75
|
8,75
|
Afhankelijk
van de leeftijd: balwerpen, of discus- en speerwerpen.
Bal werpen (gewicht
180 - 200 gram, doorsnede 29-31 cm.)
|
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
10 - 11 jaar
|
|
12,50
|
17,50
|
22,50
|
27,50
|
32,50
|
Discuswerpen 1kg (in meter)
|
Jongens:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
12 - 13 jaar
|
|
10,00
|
12,00
|
14,00
|
16,00
|
18,00
|
|
14 - 15 jaar
|
|
12,50
|
15,00
|
17,50
|
20,00
|
22,50
|
|
Meisjes:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
12 - 13 jaar
|
|
7,00
|
9,00
|
11,00
|
13,00
|
15,00
|
|
14 - 15 jaar
|
|
7.50
|
10,50
|
12,50
|
15,00
|
17,50
|
Speerwerpen 600 gram (in
meters)
|
Jongens:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
12 - 13 jaar
|
|
11,00
|
14,00
|
17,00
|
20,00
|
23,00
|
|
14 - 15 jaar
|
|
15,00
|
18,00
|
21,00
|
24,00
|
27,00
|
|
Meisjes:
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
|
12 - 13 jaar
|
|
7,00
|
9,00
|
11,00
|
13,00
|
15,00
|
|
14 - 15 jaar
|
|
8,00
|
11,00
|
14,00
|
17,00
|
20,00
|
|
|
 |
Banketbakken
De grondstoffen die bij
het bakken en banketbakken gebruikt worden onderscheiden en
weten waarbij die gebruikt worden.
Aangeven wat het verschil
is tussen bladerdeeg, zandgebak, cake, biscuitgebak,
moskovisch gebak.
Bak een brood naar keuze
met zuurdesemdeeg of gistdeeg.
Presenteer je vendel
zelfgebakken koekjes, bijvoorbeeld: pitmoppen, speculaas of
kletskoppen.
Maak een kwarktaart, een
appeltaart of een vlaai.
Een hartige taart bakken.
Een oven voor gebruik met
houtvuur bouwen en daarin op kamp iets bakken voor je ploeg.
Breng een bezoek aan een
ambachtelijke bakker of banketbakker en bekijk hoe al de
produkten uit de winkel tot stand komen.
|
|
 |
Brandpreventie
De elementen van de
branddriehoek kennen en aan de hand daarvan uitleggen hoe
een brand in principe geblust kan worden.
Iemand van de plaatselijke
brandweer bezoeken en hem/haar interviewen over de
brandweerorganisatie en het meldingssysteem.
Weten welke informatie je
moet verstrekken bij een brandmelding. De alarmnummers van
brandweer, politie en GGD in jouw woonplaats kennen.
Preventieve maatregelen
nemen in het clubhuis, aan boord, op kamp en bij het houden
van een kampvuur. De vluchtwegen aangeven en weten hoe en
waar je een stookvergunning moet aanvragen.
Met kleine blustoestellen
kunnen omgaan: brandkraan, waterleidingsslang, natte doeken,
blusdeken, vuurzweep en brandschop.
Verschillende blusstoffen
en -toestellen kennen en weten bij welke type brand ze
worden toegepast: water, zand, schuim, koolstofdioxyde,
bluspoeders en halogeenkoolwaterstoffen (BCF en BTM). Weten
wat de ademhalings- en milieu-effecten zijn van de
verschillende blusmiddelen.
Handelend optreden bij de
volgende gesimuleerde brandongevallen: tent/afdak in brand,
kleren in brand, vlam in de pan, brandende gordijnen/vitrage,
fakkelende primus, kortsluiting.
Weten wat je in het
algemeen moet doen bij: autobrand, brand aan boord, bos- of
heidebrand, huis in brand, brand in electrische installaties,
vliegtuigbrand, brand in het clubhuis, veestal in brand.
Eerste hulp kunnen
verlenen bij 1e, 2e en 3e graads verbrandingen en bij
electriciteit ongevallen.
|
|
 |
Communicatie
- Teken een tiental
situaties waarmee je zonder woorden duidelijk maakt wat je
bedoelt, bijvoorbeeld: dat je dringend een dokter nodig hebt,
of de ander geld kan wisselen, dat je met hem/haar ergens
iets wilt gaan drinken.
- Leg een spel aan je ploeg
of vendel uit zonder woorden te gebruiken. Als het spel
begint, mag je weer praten.
- Leer een van onderstaande
communicatie-methoden:
- morse
- semafoor
- braille
- gebarentaal
gehoorgestoorden
- internationale
vlaggeseinen
Breng met deze methode een
bericht over en vertel een boodschap die je ontvangt in het
Nederlands.
- Ontwerp een geheimschrift
en maak bijvoorbeeld tijdens een tocht van je vendel hiermee
een opdracht.
- Geef voor je ploeg een
instructie in een techniek. Gebruik deze techniek daarna in
een activiteit.
- Wissel 6 brieven uit met
een andere jongen of meisje in Nederland.
|
|
 |
Computer
- Demonstreer je kennis van
de programmeertaal met behulp van een zelfgeschreven
programma, waarin gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden
die de gebruikte taal biedt. Demonstreer het programma op
een computer.
- Maak een programma-ontwerp
voor een routine die je regelmatig gebruikt en een ontwerp
voor een ander programma dan in punt 1
OF Teken een
algemeen blokschema van een micro-computer, beschrijf de
belangrijkste componenten en beschrijf globaal haar functie
en de werking van de micro-computer.
- Beschrijf 4 verschillende
types van geheugens/data-opslag middelen.
- Beschrijf 6 voorbeelden
van gebruik voor computers of apparaten waarin een computer
wordt gebruikt. Ze moeten uit verschillende gebieden komen,
zoals: thuis, kantoor, fabrieken, vliegtuigen, etc.
|
|
 |
Dans
- Drie buitenlandse en
tenminste een Nederlandse volksdans kennen, dat wil zeggen
de volgorde van de passen en de figuren goed weten en op de
maat van de muziek soepel met anderen meedansen.
- Een moderne discodans aan
je vendel leren en demonstreren tijdens kampvuur, bonte
avond of iets dergelijks.
- Vijf speelliedjes doen met
je ploeg.
- Ga op een dansschool
kijken en zo mogelijk meedoen aan een training in een van de
volgende dansvormen:
- Jazzballet
- Aerobic
- Ballet
- Rock en Roll
- Ballroom
- Latijns-Amerikaanse
dansen
|
|
 |
Dierenkennis
- Tien zoogdieren, tien
vogels en tien insekten rond clubhuis en je eigen huis of in
het park kunnen herkennen. Weten waarom ze juist daar leven,
hoe en waar ze wonen en wat ze eten.
- Zet met vier grondpennen
en lint een stukje gras (geen gazon) van 1 vierkante meter
af en maak een overzicht van de dieren die je daarin
tegenkomt.
- Bestudeer 5 diersoorten
die hier vroeger veel voorkwamen en leg uit hoe ze (bijna)
zijn verdwenen.
- Weten welke wettelijke
maatregelen zijn getroffen om diersoorten in Nederland te
beschermen.
- Kies een huisdier en
probeer aan de weet te komen over z'n "wilde" familie; wat
zijn de overeenkomsten/verschillen?
- Kies een (inter)nationale
organisatie uit die zich bezighoudt met de bescherming van
dieren en probeer daar zoveel mogelijk aan de weet te komen.
- Kies een gebied buiten
Europa uit en bestudeer het dierenleven daar. Wat voor
dieren komen er voor, waar leven ze van en hoe wordt er over
die dieren gedacht (maatschappelijke functie: trekdier of
heilige koe, enz.).
| |
 |
EHBO
De vijf belangrijkste punten
van de E.H.B.O. kennen.
De naam, het adres en
telefoonnummer kennen van je eigen huisarts en de huisarts die
het dichtst bij het clubhuis woont.
De hulpmiddelen kennen die in
de E.H.B.O. gebruikt worden.
Bekend zijn met de inhoud en
het gebruik van de middelen uit de verbandkist van je vendel.
Eerste Hulp verlenen bij:
- Eenvoudige ongevallen:
schrammen en sneden, verstuikingen, blaren, bloedneus,
vuiltje in het oog, kramp, insectenbeten en -steken,
splinters
- Ernstige bloedingen
- Flauwte, bewusteloosheid
en hyperventilatie
- Brand- en
electriciteitsongevallen
- Onderkoeling en bevriezing
Kunstmatige beademing
demonstreren op een pop.
De volgende verbanden aan
leggen en weten wanneer ze worden toegepast:
- Brede das en mitella
- Zwachtelverbanden: vinger-,
hand-, knieverband
- Dekverband, snelverband en
(wond)drukverband
Demonstreren hoe je een
slachtoffer ondersteunend verplaatst en verplaatst met de
handgreep van rautek.
Iets afweten van:
- Gezonde voeding
- Lichaamsverzorging (kleding
en hygi�ne)
- Onderhoud van het gebit
- Nachtrust en ontspanning
Weten welke regels je op kamp
in acht moet nemen bij:
- Het bewonen van een
kampterrein en een tent
- Watervoorziening,
afvalverwerking en toiletvoorziening
- Koken en het gebruik van
de kampkeuken
- Lichaamsverzorging en
kleding
|
|
 |
Energie
- Maak een tekening van je
(club)huis en de directe omgeving.
Geef daarin aan:
- welke vormen van
energie gebruikt worden
- waar
warmte-uitwisseling met de omgeving plaatsvindt
Presenteer dit aan je vendel
en bespreek of er verstandig met energie om wordt gegaan en
welke verbeteringen er eventueel mogelijk zijn.
- Bij het koken in het kamp
kun je verschillende energiebronnen gebruiken (houtvuur,
petroleum of benzinebrander, gastoestel). Maak een serie
posters waaruit duidelijk wordt wat de voor- en nadelen zijn
van de vier verschillende kookmogelijkheden, mede vanuit een
oogpunt van verstandig energieverbruik. Beschrijf hierbij
ook hoe het verbrandingsproces verloopt en behandel het
onderwerp onvolledige verbranding.
- Bouw een energie-zuinige
houtoven of -brander.
- Zoek uit hoe een oude en
een moderne windmolen werken en waarvoor ze gebruikt werden
of worden. Breng een bezoek aan een van beide. Verwerk dit
alles in een verslag of andere presentatievorm.
- Ontwerp en maak iets dat
gebruik maakt van zonne-energie.
- Zet een energie-tocht uit
voor je vendel: gebruik bijvoorbeeld foto's die iets met
energie te maken hebben, laat onderzoek doen naar het
gebruik van energie en dergelijke.
|
|
 |
Fietsen
- De verkeersregels en -tekens
voor fietsers kennen en weet waarop te letten als je met een
ploeg fietst.
- Een reparatiesetje voor je
fiets samenstellen en daarmee de volgende reparaties kunnen
uitvoeren:
- band plakken
- spaken vervangen
- verlichting repareren
- binnen- en buitenband
vervangen
- gebroken ketting
herstellen en spannen
- afgebroken trapper
vervangen
- remblokjes, remkabel
en derailleurkabel vervangen
- Je eigen fiets onderhouden:
regelmatig smeren van de draaiende onderdelen, ketting
reinigen, verlichting/reflectoren.
- Het verzet van je eigen
fiets bepalen.
- Je fiets afstellen in
overeenstemming met je lichaamsmaten.
- Je bagage voor een
fiets-zwerftocht stabiel op je fiets verpakken.
- Een fietstocht met je
ploeg of vendel maken van 50 kilometer met behulp van een
fietskaart, waarop je de route afleest.
- Bereid een driedaagse
fietstocht in onbekend gebied voor, die je samen met 1
andere scout gaat maken. De persoonlijke bagage, shelter/schuilhut
en voedsel dienen op de fietsen te worden meegenomen. Maak
van te voren een routeplan met tijdsplanning, bepaal waar je
gaat overnachten, koop het benodigde voedsel in, kies een
doel voor je tocht en ontleen daaraan meerdere opdrachten.
Verzorg na terugkomst een rapportage aan de hand van foto's,
dia's en/of een logboek.
|
|
 |
Fotografie
- Leg uit hoe een
fototoestel werkt.
- Uitleggen waarom de
volgende zaken belangrijk zijn als je een goede foto wilt
maken:
- de afstand tussen het
toestel het toestel en het onderwerp
- belichting
- diafragma
- richting flitsen
- filmgevoeligheid
- scherpte-diepte
- Het verschil tussen
spiegel-reflexcamera en een doorzicht-zoekercamera kennen.
- Met een fototoestel om
kunnen gaan:
- filmrolletjes of disc
inleggen en eruit halen
- batterijen verwisselen
- flitsapparaat
gebruiken
- weten hoe je het
toestel in moet stellen
- Maak zelf een camera
obscura of maak tenminste 5 fotogrammen.
- Tenminste 18 technisch
geslaagde opnamen maken. bij deze opnamen zijn portret-,
dieren-, landschaps-, actie- en binnenhuisfoto's.
- Maak een fotoreportage (minstens
10 opnamen) van een zelfgekozen onderwerp, bijvoorbeeld je
school, een bedrijf of winkel in de buurt. Maak om het uur
een tijdopname vanaf een punt in je straat. Presenteer dit
op een bijpassende wijze aan je vendel.
- Maak samen met een
fotograaf afdrukken en vergrotingen van je eigen zwart-wit
negatieven.
- Weten waar je in jouw
woonplaats de afgewerkte fotochemicaliën en batterijen moet
inleveren.
|
|
 |
Grafische technieken
- Leg uit wat een hoogdruk,
vlakdruk en diepdruk zijn en toon van elk voorbeelden.
- Maak 4 werkstukken met 4
verschillende druktechnieken. Kies hierbij uit: zeefdruk,
linosnede, houtsnede, ets, litho, textieldruk, monotype,
fotokopiëren, sjabloneren, droge naald, thinnerdruk of
fotogrammen.
- Maak zelf papier en toon
aan je vendel hoe dit gaat.
- Ontwerp 5 pictogrammen die
in de blokhut zouden kunnen hangen.
- Maak een affiche om leden
of leiding te werven.
- Ontwerp een alfabet.
- Maak een beeldmerk van
jouw Scoutinggroep en teken of druk dit op textiel (b.v. een
T-shirt).
|
|
 |
Handvaardigheid
- Maak van hout of stof
speelgoed voor de spelotheek, beverkolonie of creche bij jou
in de buurt.
- Maak twee werkstukken,
ieder van een ander materiaal, bijvoorbeeld een houten
marionet, een oven van blik, een sieraad van kralen of
zilverdraad of een houten corveebord.
- Maak samen met iemand
anders een werkstuk, waarin vijf of meer verschillende
materialen verwerkt zijn, bijvoorbeeld maquette van een dorp,
kermis of clubhuis.
- Ga op bezoek bij een
ambachtsman/-vrouw, bijvoorbeeld: pottenbakker, poppenmaker,
schilder. Vertel je vendel over dit bezoek.
- Teken of ontwerp tenminste
5 kaarten, die je kunt versturen met Valentijnsdag, B.P.-dag
of om iemand op te vrolijken/feliciteren.
- Toon dat je veilig met de
te gebruiken gereedschappen omgaat.
|
|
 |
Houtvesten
- Inzicht hebben in de
veiligheidseisen die het gebruik en vervoer van bijl en zaag
met zich meebrengen.
- De volgende hulpmiddelen
kunnen onderhouden en weten waarvoor en hoe je ze gebruikt.
Demonstreren hoe je er op veilige wijze mee werkt:
- Hiep
- Handbijl en snoeibijl
- Beugel-, snoei-, klap-
en snaarzaag
- Kantelhaak
- Schilschop of schilmes
- De hoofdtypen
zaagbetanding kennen en weten wat met zetting wordt bedoeld.
- Een bijl slijpen en van
een nieuwe steel voorzien.
- Op de juiste wijze een
piketpaatje en V-tje hakken en stookkant voor een kampvuur
maken.
- Een boom planten en weten
waarop je moet letten.
- Kennis hebben van de bouw
en groei van bomen en de plaats die ze in de natuurlijke
kringloop in het bos innemen.
- Kennis hebben van de
belangrijkste boomziekten en -plagen en de gevolgen van
milieu-vervuiling, zure regen, voor het bos.
- In overleg met de
beheerder van een natuurgebied meewerken aan het onderhoud
en daarover verslag doen (bijvoorbeeld hei opschonen, wilgen
knotten, bos uitdunnen).
|
|
 |
Internationaal
- Zoek een plaats in het
buitenland uit waar je graag een reis naar toe zou willen
maken. Bekijk hoe je er kunt komen en van welke
vervoermiddelen je dan gebruik moet maken. Wat kun je op die
plaats allemaal doen?
- Zoek van het land van je
voorkeur zoveel mogelijk informatie bij elkaar. Ga hiervoor
naar de bibliotheek, verkeer- of reisbureau. Denk aan de
volgende aspecten: taal, middelen van bestaan, natuur,
bijzondere gewoontes, welvaart, toerisme, etc. Presenteer de
informatie op een aantrekkelijke manier aan je vendel.
- Doe mee aan een
internationaal kamp, of correspondeer met een meisje of
jongen uit het buitenland. Probeer meer te komen over
"Scouting" in een ander land.
- Zoek uit welke betekenis
de vlag van het betreffende land heeft en wat de herkomst
van de Nederlandse en Europese vlag is.
- Op de hoogte zijn van
allerlei zaken die je moet regelen voordat je aan een
buitenlandse reis begint. Bijvoorbeeld: paspoorten, visa,
vreemd geld, reisverzekeringen, inentingen.
- Op de hoogte zijn van de
internationale verspreiding van Scouting. Een indruk hebben
van de activiteiten van de weredbonden WAGGGS en WOSM.
- Nodig een buitenlandse
scout, of eventueel een niet-scout, minimaal 3 dagen bij jou
thuis uit. Dit kan bijvoorbeeld via een home-hospitality
project, post-box correspondentie of via een internationale
uitwisseling.
- Bedenk van te voren hoe je
je gast zo goed mogelijk op zijn/haar gemak kunt stellen.
Welke Nederlandse gebruiken zul je moeten uit leggen?
|
|
 |
Journalist
- Werk minimaal aan 3
edities als redactielid mee aan het groepblad/schoolblad.
Lever zowel een zinvolle bijdrage aan het redactiewerk en
publiceer een artikel.
- Maak duidelijk hoe de
vormgeving van het blad in elkaar zit en wat de
uitgangspunten van de lay-out zijn.
- De verschillen tussen de
vloeistofduplicator, stencilmachine, kopieermachine en
offset kennen. In staat zijn in het door jullie gebruikte
apparaat inkt en papier aan te vullen en schoon te maken.
- Interview een jou
onbekende plaatsgenoot, die voor je groep van belang is en
publiceer je interview.
- Raadpleeg 3 verschillende
kranten of tijdschriften over hetzelfde onderwerp. Doe
verslag van de verschillende standpunten en schrijfwijzen
die je tegenkomt.
- Voer een klein onderzoekje
uit hoe lezers het groepsblad/schoolblad waarderen.
- Ken de belangrijkste
correctietekens voor drukproeven.
- Bezoek een drukkerij en
publiceer daarover in je clubblad.
|
|
 |
Kamperen
- Een kampterrein verkennen
en daarvan een plattegrond maken, waarop de kampindeling
wordt ingetekend en waarbij rekening wordt gehouden met
omgevingsfactoren. Laat je inspireren door de omgeving.
- Met je ploeg of vendel het
programma voor een weekendkamp of dag van het zomerkamp
bedenken en plannen. Dit programma voorbereiden met andere
scouts en iemand van de leiding en tijdens het kamp
uitvoeren.
- Je persoonlijke bagage en
het kampeermateriaal voor jouw ploeg voor het zomerkamp
samenstellen.
- De hoofdtypen tenten en
haringen/grondpennen met hun gebruiksdoel kennen.
- Een shelter en een huttent
opzetten, waarbij je rekening houdt met omgevingsfactoren.
De tent op de juiste manier gebruiken en weten welke
maatregelen je bij slecht weer moet nemen. Na gebruik de
tent weer afbreken en inpakken en na thuiskomst schoonmaken,
eventueel herstellen en schoonmaken.
- Een kampkeuken ontwerpen.
Je kiest een geschikt terrein, waarbij je rekening houdt met
de omgeving. Pionier daar met je ploeg de door jou ontworpen
kampkeuken, richten hem in en gebruik hem tijdens een
(weekend-)kamp.
- Tonen op hygi�nisch
verantwoorde wijze te kamperen. Denk daarbij onder andere
aan: persoonlijke hygi�ne, verantwoord omgaan met voedsel,
afvalverwerking, plaatsing en gebruik latrine/kampdouche,
luchten van de tent/slaapzak en laten zien hoe je een
terrein weer netjes achterlaat.
- Tijdens een kamp 2 warme
maaltijden voor je ploeg of vendel koken. Het menu heb je
zelf samengesteld en ook de benodigde ingredi�nten koop je
zelf in.
Een van deze maaltijden dient in ieder geval op
houtvuur te zijn bereid.
- Tenminste 5 nachten met je
ploeg of vendel in tenten hebben overnacht.
Tenminste 4
nachten met 1 of 2 andere scouts in een shelter of boot
hebben overnacht. Tenminste 1 nacht in de winter in een
tent hebben overnacht.
|
|
 |
Kampvuurleiden
- Om het kampvuur te leiden
25 liedjes, 2 canons en 5 yells kennen en zingen.
- Vijf liedjes, een canon en
een yell aan het vendel aanleren.
- Een kampvuurverhaal van
circa 10 minuten aan het vendel vertellen.
- Eenkampvuurplaats kiezen,
rekening houdend met het aantal en de plaats van de
deelnemers, de omgeving en de wind en de werkzaamheden van
de stoker afspreken.
- Een kampuurprogramma met
circa 25 deelnemers leiden, daarbij rekening houdend met
opbouw van het programma, spelen en dansen.
- Brandpreventie-maatregelen
nemen bij het houden van een kampvuur.
|
|
 |
Kanoën
- Op de juiste manier:
- de boot in en uit het
water brengen en halen
- in- en uitstappen
onder gunstige en ongunstige omstandigheden
- wendingen maken
- achteruit varen
- De volgende technieken
demonstreren:
- boogpeddeltechniek,
lange slagen
- peddelsteunslag
- langszij aanleggen en
wegvaren
- zijwaarts verplaatsen,
aanleggen en wegvaren
- noodstop maken
- met een korte bocht
draaien
- sturen op het
lichaamsgewicht
- Een goede slag bezitten en
dit laten zien in een een- of tweepersoonskano.
- Weten hoe je moet handelen
bij:
- harde wind
- het omslaan van houten
en polyester kano's en met spatzeil
- een hekgolf
- Hulp aan iemand verlenen,
die omgeslagen is met een kano. Het belang zien van het
dragen van een reddingsvest.
- Van het BPR de bepalingen
kennen die voor kano's gelden.
- Tijdens een dagtocht
tenminste 4 uur met een kano varen.
- Een kano (hout/polyester)
in de zomer en winter goed onderhouden en kennis hebben van
kano's en uitrusting.
|
|
 |
Ken je omgeving
- Verzamel een aantal
tekeningen, foto's, plattegronden en dergelijke van je
woonplaats, waarop de ontwikkeling vanaf 1960 duidelijk te
zien is. Verdiep je daarin en vertel je vendel er over.
- Stel een puzzeltocht samen
voor jouw ploeg of vendel, die voert langs interessante
plekjes in jouw buurt. De historie kennen van deze plaatsen
en aan kunnen geven waarom je juist deze hebt gekozen.
- Vervaardig een
informatiebord of maquette van je stadswijk of dorp, waar je
voor jou belangrijke informatie aangeeft.
- Breng een bezoek aan een
werkplaats, bedrijf of atelier en maak er een verslag van.
- Achterhaal een belangrijke
gebeurtenis of legende uit je woonplaats/streek en gebruik
dat als basis voor een presentatie met je ploeg.
- Bekend zijn met andere
jeugdverenigingen in je omgeving en organiseer met hen een
uitwisseling.
- Breng een bezoek aan twee
van de volgende instellingen: waterleidingbedrijf,
waterzuiveringsbedrijf, energiebedrijf, e.d. Maak hierover
een verslag waarin duidelijk wordt wat ze precies doen en
wat hun betekenis is voor jouw gemeente en hoe ze meewerken
aan de verbetering van ons milieu.
|
|
 |
Koken
- Leg een receptenboek aan
waarin tenminste 15 eigen recepten voorkomen die je zelf al
eens hebt bereidt. Het boek bevat voorgerechten,
hoofdgerechten en nagerechten.
- Inzicht hebben in de
samenstelling van een verantwoorde maaltijd.
- Per jaargetijde weten
welke groente voordelig zijn. Een verstandige maaltijd, ook
vegetarisch, samenstellen.
- Een produktiebedrijf of
veiling bezoeken en een verslag schrijven over de manier
waarop levensmiddelen verwerkt worden.
- Organiseer een feestelijke
maaltijd voor minstens 4 personen of verzorg het eten op een
feestje (bijvoorbeeld een gourmet, foundue, barbecue of
buitenlandse maaltijd). Let daarbij op de uitnodigingen, de
aankleding en natuurlijk de gezelligheid voor de gasten.
- Breng een bezoek aan een
restaurant bij jou in de buurt en ga in de keuken kijken.
Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen een grote
keuken en de keuken thuis.
- Op een middag of kampje
van de Esta's assisteren bij het koken.
- Tijdens een kamp een menu
samenstellen voor je ploeg, inkopen en op houtvuur bereiden.
- Vijftien eetbare produkten
uit de natuur kennen en kunnen bereiden.
|
|
 |
Loods
- Het BPR (Binnenvaart
Politie Reglement) redelijk goed kennen.
- De reglementen op de grote
rivieren kennen.
- De betekenis van de
betonning en bebakening op de Nederlandse wateren.
- Getijtafels en de almanak
voor Watertoerisme gebruiken.
- Kennis hebben van anker-
en aanlegplaatsen, de diepte van de vaarwateren en de
afmetingen van sluizen en bruggen in jouw omgeving.
- Een waterkaart met en
zonder kompas ori�nteren en gebruiken.
- Een horizonschets maken.
- Kunnen loden met een
slaggaard op een zich voortbewegend vaartuig.
- Op kompas varen.
|
|
 |
Milieu
- Kies een milieu-onderwerp
dat in de actualiteit is en maak er je eigen nieuwsbrief
over: wat zijn de achtergronden, hoe is het ontstaan, welke
tegengestelde belangen zijn er, etc.
- Maak een plattegrond van
de gemeente waar je woont en teken hierop in de instellingen
die op de een of andere wijze met milieu te maken hebben,
bijvoorbeeld waterzuiveringsinstallatie, afvalverwerking,
milieu-educatie-centrum, groemvoorziening, openbaar vervoer,
etc. Leg uit waarom je ze opgenomen hebt. Beschrijf drie
dingen die in je gemeente gebeuren die je positief vindt
voor het milieu en drie dingen die je negatief vindt. Hoe
zou je die laatste kunnen veranderen?
- Maak een milieuspel en
speel dat met je ploeg of vendel.
- Maak een tentoonstelling
over de watervoorziening in Nederland. Denk bijvoorbeeld aan
de waterkringloop, de winning van drinkwater, neerslag,
water voor de landbouw en de bedreigingen van deze
watervoorziening.
- Bedenk hoe je in het kamp
het afval kunt scheiden en zinvol kunt verwijderen. Voer dit
ook uit in een kamp van tenminste vier dagen.
|
|
 |
Modelvliegen
Kies of je eisen van het
zweefmodel of motormodellen doet.
Cat. Zweefmodellen.(spanwijdte
tussen 1,20 en 3,00 meter)
- Voldoen aan de volgende
eisen:
- Kennis en inzicht
bezitten omtrent veiligheid, termiek en keuze
vliegterrein.
- Model in elkaar zetten
en startgereed maken.
- Drie keer assisteren
bij het maken van een leirstart (minstens 50 meter lijn).
- Drie keer uitvoeren
van een goede lierstart.
- Drie keer op de juiste
wijze tijd opnemen.
- Zelf een zweefmodel bouwen
met een spanwijdte van minstens 1,2 meter (mag uit een
bouwdoos). Het model moet constructief goed en degelijk zijn
gebouwd; de afwerking moet correct zijn. Het model moet goed
zijn uitgebalanceerd.
- Op een dag 4 vluchten
maken, waarbij het model wordt opgetrokken aan een lijn van
50 meter.
- De totaallijn van de drie
beste vluchten moet minstens 100 seconden bedragen. (De tijd
wordt gemeten vanaf het moment dat de lijn wordt gelost tot
het moment dat het model op grond of een voorwerp raakt).
N.B. Het model mag worden voorzien van een "timer".
Cat. motormodellen. (lijnbesturing)
- Voldoen aan de volgende
eisen:
- Kennis en inzicht
bezitten omtrent veiligheid, gloeiplugmotoren en keuze
vliegterrein.
- Drie keer meehelpen in
de pits.
- Drie keer model
opgooien.
- Drie keer een start
maken uit de hand of vanaf de grond.
- Drie keer minimaal 6
ronden vliegen en de vluchten afronden met een goede
landing.
- Drie keer op de juiste
wijze tijd opnemen.
- Zelf een lijnbestuurd
motormodel bouwen (mag uit een bouwdoos). Het model moet
constructief goed en degelijk zijn gebouwd; de afwerking
moet correct zijn. Het model moet goed zijn uitgebalanceerd.
- Op een dag 4 vluchten
maken.
- 1 van de vluchten moet
voldoen aan onderstaande eisen:
- Een afstand van 1 km.
afleggen met een snelheid van minstens: 80 km/u bij een
cilinderinhoud van 1,0 - 2,0 cc of 120 km/u bij 2,0 -
5,0 cc.
- Of met een
kunstvluchtmodel de volgende manoeuvres uitvoeren: Start
(loskomen van de grond) - horizontale vlucht (minstens 2
ronden) - stijgvlucht - duikvlucht - wingover - looping
achterover - landing.
|
|
 |
Motortechniek
- De werking van een kleine
tweetakt- en een kleine viertakt-motor verklaren.
- De aansluitingen van
brandstofleidingen tussen tank en pomp en tussen pomp en
carburateur controleren.
- Kennis hebben van de
opbouw van de ontstekingsinstallatie (bobine, onderbreker,
verdeler, condensator en bougies) en de meest voorkomende
storingen verhelpen.
- De werking kennen van het
koelsysteem van een buitenboordmotor of automotor.
- Inzicht hebben in de
werking van een waterpomp.
- Een sproeier en een bougie
reinigen.
- Een buitenboordmotor met
de juiste (smeer-)middelen een winterbeurt geven. Weten hoe
je omgaat met brandstof en andere chemische produkten, zodat
je het milieu niet vervuilt.
|
|
 |
Muziek
- Het notenschrift kunnen
lezen en gebruiken.
- Drie verschillende stukjes
op een muziekinstrument instuderen en aan je vendel laten
horen.
- Klassieke muziek, concert
of operette hebben beluisterd, thuis, in concertzaal,
schouwburg of clubhuis.
- Tien muziekinstrumenten
benoemen en herkennen en deze muziekinstrumenten op gehoor
onderscheiden.
- Een cassettebandje met
jouw top 5 maken, waarbij je de verzamelde informatie van
groepen en zangers/zangeressen in de aankondiging van de
nummers verwerkt.
- De muziek bij een hoorspel
of diaklankbeeld verzorgen.
- Een kampvuurlied aan je
vendel leren.
|
|
 |
Natuurbeheer
- Onderzoek met je ploeg de
oorzaken van de volgende dingen en geef je bevindingen weer
in een geïllustreerd verslag, poster of iets dergelijks:
- watervervuiling;
- luchtvervuiling
- afvalverwerking;
- erosie en
bodemvervuiling.
- Maak een "check-list" voor
kampeerders en hikers van dingen die je moet doen of juist
niet moet doen, als je de natuur niet wilt beschadigen.
- Maak een studie van bij 15 in je omgeving voorkomende
planten en dieren en maak een lijst van die soorten die in
jouw omgeving voorkomen, maar bedreigd worden.
- Doe twee van de volgende
activiteiten:
- Doe in een glazen pot
wat modderwater uit een rivier en laat dat 6 uur staan.
- Wat zie je gebeuren?
Kun je bedenken waar deze grond vandaan komt en waarom?
- Laat door middel van
een proef zien welke effect goede of slechte grond heeft
op ontkiemde zaden.
- Laat zien hoe mist kan
ontstaan.
- Hou een weer-dagboek
bij gedurende een maand. Neem daarin op de hoeveelheid
regen, zon, mist, temperatuur, windsnelheid en -richting
en vochtigheid.
- Leg een verzameling
aan van 10 gipsafdrukken van sporen van in het wild
levende dieren.
- Laat bijvoorbeeld in
een plakboek zien waarom zoveel dieren in de wereld met
uitroeiing bedreigd worden.
- Maak een tekening van
de waterkringloop waarin de volgende dingen voorkomen:
neerslag, grondwater, verdamping, uitwaseming.
- Doe twee van de volgende
activiteiten:
- Leg een natuurspoor
aan en houd dat bij.
- Realiseer
wintervoeding voor in het wild levende dieren (in
overleg met de beheerder van het terrein) en vogels.
- Leg een vijver aan
voor vissen, vogels of amfibieën en verzorg hen ook.
- Bouw een
waarnemingspost, observeer dieren en maak verslag van je
waarnemingen.
- Help (een deel van) de
oevers van een beek of rivier schoon te maken.
- Organiseer een anti-afvalactie.
- Bedenk zelf een
dergelijke activiteit en voer die, na overleg met je
leid(st)er uit.
- Neem deel aan een bestaand
project dat je eigen omgeving kan verbeteren, bijvoorbeeld
een plaatselijke, nationale of internationale
natuurbeheersactiviteit.
|
|
 |
Ontwikkelingssamenwerking
- Kies een land uit dat in
aanmerking komt voor ontwikkelingssamenwerking. Probeer meer
te weten te komen over de manier van leven in dit land. Denk
bijvoorbeeld aan eetgewoontes, huizen, religies, scholen,
winkels, geld, vervoer, geschiedenis, watervoorziening,
voedselproduktie. In de Tropenmusea is veel informatie te
vinden, maar je kunt ook te rade gaan bij iemand die het
land goed kent.
- Organiseer een korte
activiteit of spel voor je vendel uit het door jou gekozen
land, bij voorkeur een traditioneel spel.
- Zoek informatie op over
Scouting in het betreffende land. Kijk naar de
overeenkomsten en verschillen met Scouting Nederland. Wat
heeft de speciale aandacht van de betrokken organisatie?
- Maak voor je ploeg of
vendel een maaltijd met niet-Europese ingrediënten. Kies
daarbij bijvoorbeeld uit: maniok, bamboe, casave, linzen,
sojabonen, katjang-idjoe, aduki-bonen, yam, kouseband, enz.
Op de hoogte zijn van de voedingsgewoonten in het betrokken
land, weten wat de gevaren van eenzijdige voeding zijn.
- Doe mee aan een hulpactie
ten behoeve van een ontwikkelingsland. Zorg dat je goed op
de hoogte bent van de problemen die de actie probeert te
verhelpen.
- Bedenk of ontwerp een (technisch)
hulpmiddel dat eenvoudig te maken is en onder primitieve
omstandigheden te gebruiken is. Denk daarbij aan plaatsen
waar geen electriciteit of brandstof voor handen is en je
aangewezen bent op zon, wind, water of spierkracht.
|
|
 |
Organisatie
- Aan drie districts-/regionale
admiraliteits, of landelijke activiteiten hebben deelgenomen.
- Aan de voorbereiding van
drie bijeenkomsten in je vendel meegewerkt hebben.
- Een draaiboek, inclusief
materiaallijst en begroting van een middagactiviteit voor je
vendel gemaakt, mee uitgevoerd en nabesproken hebben.
- Aankondiging en informatie
voor de deelnemers aan een activiteit meeverzorgd hebben.
- Van een actviteit met
maximaal 24 deelnemers en gedurende 2 dagen weten:
- de organisatie
- de planmatige
voorbereiding en uitvoering
- de publiciteit;
- de
materiaalorganisatie en de begroting;
- de samenwerking tussen
de organisatoren onderling en met de deelnemers
- nabespreken
|
|
 |
Oriënteren
- Weten hoe kaarten met een
stereografische projectie worden gemaakt. het verschil
tussen magnetisch, geografisch en kaartnoorden kennen.
Begrijpen wat het nut is van Rijksdriehoeksmeting en Normaal
Amsterdams Peil en in je omgeving 2 R.D.-punten en 2 N.A.P.-verkenmerken
kunnen aanwijzen.
- De beginselen van het
magnetisch kompas en de daarbij samenhangende afwijkingen
begrijpen. 32 windstreken, gradenverdeling oost-om en west-om
en de indeling in duizendsten kennen.
- Weten welke informatie je
op de volgende kaarten kunt vinden: topografische kaarten,
fietskaarten, hoogtekaarten, waterkaarten, luchtvaartkaarten,
geologische kaarten en bodemkaarten. Met drie kaarten kunnen
werken.
- De (belangrijkste)
kaarttekens en -synbolen kennen die worden gebruikt op:
topografische-, water- of luchtvaartkaarten.
- Bepaal overdag en 's
nachts de tijd met behulp van de hemellichamen.
- Tijdens een
avond-oriëntatietocht in onbekend gebied oriënteren met een
sterrenkaart en maankompas.
- Kies een van onderstaande
opdrachten:
- Tijdens een
oriëntatietocht met een trajectlengte van 4 km. alle
controleposten binnen 40 minuten hebben gevonden.
- Tijdens een
oriëntatietocht te water met een trajectlengte van 4 km.
alle controleposten binnen 60 minuten hebben gevonden.
- Vanaf een luchtfoto
tijdens een vlucht 2 van de 3 objecten op de grond
herkennen.
- Een oriëntatietocht voor
je ploeg maken en tijdens het lopen aanwijzingen over de
werking en het gebruik van het kompas geven.
|
|
 |
Paardrijden
- Algemene kennis hebben van de
gewoonten van het rijpaard.
- Demonstreren hoe een paard
gedrenkt, gevoerd en verzorgd moet worden en de stal op de juiste
wijze verschonen; een ponypaard zadelen en optuigen.
- De onderdelen van het hoofdstel,
zadel en bandages kennen en demonstreren hoe deze onderhouden worden.
- De verkeersregels voor ruiter/amazone
en paard kennen en deze tonen, als je in een groep rijdt.
- In de juiste houding met de
pony/het paard in stap draf en galop rijden en de volgende figuren
correct rijden: De grote volte, volte halve baan, slangevolte, volte
rechts en links omgekeerd; de gebroken lijn, de grote acht; over de
diagonalen van hand veranderen; door een "S" van hand veranderen.
- Rijdend op een pony/paard over
enkele eenvoudige hindernissen springen.
- Een bezoek brengen aan een
zadelmaker of hoefsmid en daarover een presentatie verzorgen voor je
ploeg of vendel.
- De bezwaren kennen van
opzetteugels en slecht passend hoofdstel en zadel. Enige kennis van
hoefbeslag hebben.
- Enkele vaak bij paarden
voorkomende kwalen kennen, kunnen opmerken en weten hoe je dan moet
handelen. Hrt adres en telefoonnummer van de/een plaatselijke
veearts kennen.
|
|
 |
Pionieren
- De volgende sjorringen maken en
weten wanneer ze worden toegepast: kruis-, diagonaal-, vork-,
achtvormige-, steiger-, stellage-, woel- en slingersjorring.
- De volgende touwverbindingen maken
en weten waarvoor ze worden gebruikt: constrictorknoop,
derdehandsteek, mastworp met voorslag, rondtorn met 2 halve steken,
slippende schootsteek met knevel, steigersteek, stellingplanksteek,
topsteek met 3 bochten, visserssteek, vrachtrijderssteek,
werpankersteek.
- Natuurlijke, paal- en
balkverankeringen maken en weten welke verankering in een bepaalde
situatie het best kan worden toegepast, rekening houdend met de
natuurlijke omgeving.
- Benamingen en typen blokken kennen
en demonstreren hoe:
- een blok moet worden bevestigd
aan een vast punt;
- een lijn aan een blok moet
worden bevestigd;
- een staalkabel aan een blok
moet worden bevestigd.
- Verschillende typen takels kennen
en demonstreren hoe deze moeten worden ingeschoren en er veilig mee
omgaan.
- Met je ploeg of vendel drie
verschillende pionier-objecten maken.
Voor elk object maak je
eerst een bouwtekening en/of maquette, stel je een materiaallijst
samen en maak je een taakverdeling voor de bouwers. Tijdens het
bouwen geef jij de leiding, zodat het object op een veilige wijze
wordt gepionierd en leer je de andere scouts de sjorringen. De
drie te bouwen pionierobjecten zijn:
- een uitgebreide kampkeuken;
- een object waarin takels
worden toegepast;
- een object waarin
verankeringen worden toegepast.
|
|
 |
Plantenkennis
- Tien bomen, tien planten en tien
vruchten kennen.
- Zet met vier grondpennen en lint
een stukje gras af (geen gazon). Maak een overzicht van de planten
die je daarin tegenkomt.
- De belangrijkste bladstanden,
bladvormen en bloeiwijzen kennen en met behulp van een
determineertabel 10 verschillende planten op naam brengen.
- Maak een herbarium van 25 planten
(gedroogd, op foto of tekening) met informatie over de familie
waartoe ze behoren en de omgeving waarin ze voorkomen.
- Weten welke wettelijke maatregelen
zijn getroffen om plantensoorten in Nederland te beschermen.
- Minstens 10 beschermde planten
kennen en herkennen. Weten waar je in jouw omgeving bedreigde
planten kunt vinden.
- Uitleggen wat de gevolgen van
vervuiling zijn voor de plantenwereld.
- Een groot aantal organisaties
houdt zich bezig met de natuurbescherming en -beheer van planten en
bomen, zowel in Nederland als daarbuiten. Leg contacten met een
organisatie en help ze gedurende minimaal 6 weken bij hun dagelijkse
werk of bij een speciale actie.
|
|
 |
Radiotechniek
- Weten wat stroom, spanning en
weerstand is en deze kunnen meten met behulp van een universeelmeter.
De wet van Ohm kunnen toepassen.
- Diverse electronica componenten
kunnen herkennen, zoals: weerstand, condensator, spoel, diode,
transistor en IC. Weten hoe deze aangesloten moeten worden. Met
behulp van de kleurcodering de waarde van de weerstand bepalen.
- Een goede soldering kunnen maken
en weten hoe dioden, transistoren en IC's zonder beschadiging moeten
worden gesoldeerd.
- Zelf een eenvoudig electronica
werkstukje maken.
- De werking van een EN-, OF-, NEN-
en invertor-poort kennen. Weten hoe digitale bouwstenen er uit zien
en hoe ze aan te sluiten.
- Het internationale
spellingsalfabet kennen en kunnen gebruiken in een spel.
- Een kortegolf-ontvager bedienen en
een logboek aanleggen met daarin minimaal 10 beluisterde
radiostations. Van iedere station moet de frequentie, de naam, de
tijd en de uitzendmode worden gelogd en maak mogelijk een
ontvangstrapport.
- Actief meedoen aan een
Jamboree-On-The-Air.
|
|
 |
Roeien
- De onderdelen van een roeiboot
kennen.
- De roeicommando's kennen en laten
uitvoeren.
- De volgende roeimanoeuvres
uitvoeren:
- afmeren langszij een schip of
aanlegplaats
- een acht varen.
- De roeiboot met de juiste
touwverbindingen afmeren.
- Met de boot:
- slepen
- jagen
- bomen
- wrikken
- Het BPR (Binnenvaart Politie
Reglement) kennen, voor zover dit betrekking heeft op roeiboten.
- Een dagtocht gemaakt hebben met
een roeiboot.
- Een roeiboot gedurende een seizoen
onderhouden.
|
|
 |
Schaal modelbouw
- Bouw een schaalmodel (plastic of
hout) van een vliegtuig, boot of trein die in Nederland wordt
gebruikt.
- Beschilder het in de goede kleuren.
- Plaats het in een levensechte
situatie.
- Zoek de geschiedenis bij je
schaalmodel en maak daarvan een boekje.
- Toon het model aan je ploeg en
geef er een toelichting bij.
|
|
 |
Schaatsen
- Een redelijke schaatstechniek
demonstreren en de schaats-bewegingstheorie verklaren.
- De schaatsen dagelijks en aan het
eind van het seizoen onderhouden.
- Weten welke kleding je bij het
schaatsen draagt en hoe je je kleedt tegen bevriezingsverschijnselen.
- Weten wat te doen bij slecht ijs,
scheuren en dergelijke. Wakken en zwakke plekken in het ijs weten te
herkennen. Demonstreren hoe je handelt bij ongelukken door de
schaats veroorzaakt, door het ijs zakken en bij onderkoeling.
- Organiseer samen met de leiding
van je vendel een schaatsmiddag.
Kies uit de volgende 2 opdrachten:
- Hardrijden.
- Leg volgens de eisen van de
KNSB de volgende proeven af:
- de slalomproef binnen 23
seconden
- de start- en remproef
binnen 21 seconden
- een langebaanproef van 8
kilometer afleggen
- Neem deel aan een toertocht
van minimaal 15 km.
- Kunstrijden.
- Beheers de eisen voor het
kunstrijden diploma F van de KNSB:
- voorwaarts buitenwaarts
acht (voorgetrokken)
- voorwaarts binnenwaarts
acht (voorgetrokken)
- lentefiguur achterwaarts
- voorwaarts binnenwaarts
drieën links en rechts
- pirouette op 1 been; spot.
- Studeer een eenvoudige kuur in
en laat deze aan je ploeg zien.
|
|
 |
Schiemannen
De benamingen van onderdelen van een
touw kennen. Touwsoorten kunnen onderscheiden en weten wat de
breeksterkte en veilige belasting van elk soort is. Weten hoe de
breeksterkte door touwverbindingen wordt beïnvloed. Weten hoe touw moet
worden onderhouden.
Een knopenbord maken, met daarop:
- Splitsen:
- Spaanse takeling
- Oogsplits om een kous of
Vlaamse oogsplits in geslagen touw
- Korte splits
- Stoppersknopen:
- Halve schildknoop
- Hele schildknoop
- Dubbele schildknoop
- Stoppersknoop
- Halve sjouwerman
- Hele sjouwerman
- 2 plattingen uit
- Ronde of vierkante
kroonplatting
- Engelse platting
- Franse platting
- Vierkante platting
- Ronde platting
- Kabelplatting
- Bootsmanplatting
- Spiraalplatting
- Kettingplatting
- Maak met een Turkse knoop je eigen
dasring.
- Maak een werkstuk, waarbij je
bijvoorbeeld kunt kiezen uit: stootkussen, allemansendje aan een
scheepsbel, geknoopte hengsel aan een kist, hangmat of volleybalnet.
|
|
 |
Snorkellen
- Zwemmen.
- 50 m. Borstcrawl in redelijk
goede stijl.
- 150 m. Schoolslag; op elke
baan van 25 m. een bordje opduiken vanaf minstens 2 m. diepte.
- 15 m. aaneengesloten onder
water zwemmen.
- Snorkelen met basisuitrusting (=
masker, snorkel, zwemvliezen en loodgordel):
- Met rechtshandige sprong
voorwaarts te water gaan, onmiddelijk gevolgd door 150 m.
snorkelen. Op elke baan van 25 m. een rol voorover maken.
- Onder water zwemmen over een
afstand van 10 m.
Vervolgens de drenkelingpop, die op een
diepte van tenminste 2 m. op de bodem aanwezig is, opduiken en
deze in de kopgreep naar de oppervlakte brengen. Aansluitend
de drenkelingpop over een afstand van minimaal 2,5 m. naar de
bassinrand vervoeren en de drenkelingpop zodanig aanreiken, dat
helpers hem uit het water kunnen halen. Tijdens het vervoer moet
het gezicht van de drenkelingpop boven water worden gehouden.
- 50 m. Buddybreathing:
Aan
de oppervlakte van het water dienen 2 scouts zich 50 m.
snorkelen voort te bewegen, waarbij een snorkel wordt gebruikt.
De gezichten dienen hierbij onder water te blijven. Uitsluitend
door de cirkel in- en uitademen.
- Over een afstand van 50 m. een
drenkelingpop in kopgreep vervoeren.
- Vanuit zit op de bassinrand
met rol achterover te water gaan. Het masker op een diepte van
minstens 2 m. twee keer leegblazen (masker vol met water
leegblazen en op het gelaat plaatsen, daarna het masker weer vol
laten lopen, leegblazen en op het gezicht plaatsen).
Met
leegblazen masker op het gezicht aan de oppervlakte komen,
waarbij de handen niet aan het masker mogen zijn.
- Behendigheid
- Aan de oppervlakte van het
water met de armen om je opgetrokken knieën geslagen gedurende 1
minuut drijven, waarbij geademd wordt door de snorkel.
- Met een hoekduik naar de bodem
tot een diepte van tenminste 2 m. (bij voorkeur tot een diepte
van 4 m.), daar uitademen en vervolgens opstijgen.
- 50 m. Snorkelen met gebruik
van een zwemvin.
|
|
 |
Spelleiding
- Weten welke veiligheidseisen in
acht moeten worden genomen bij waterspelen, avondspelen en
terreinspelen.
- Verantwoordelijkheden van de
spelleider kennen met betrekking tot terrein, veiligheidseisen en
milieu-aspecten.
- Twee nieuwe spelen uitleggen aan
je eigen ploeg.
- Zelf een buitenspel bedenken, een
geschikte omgeving kiezen, de materialen hiervoor verzamelen, het
spel uitleggen en begeleiden.
- Een avondspel of een
winteractiviteit organiseren, waarbij je rekening houdt met koude
en/of duisternis en het voorkomen van verstoring van de natuur.
- In overleg met hun leiding een
spel voor Bevers, Welpen, Kabouters of Esta's voorbereiden en laten
spelen. Daarbij houd je natuurlijk rekening met de belangstelling en
de mogelijkheden van deze leeftijdsgroep.
- Samen met andere scouts een grote
spelactiviteit organiseren waaraan behalve je eigen vendel ook niet-scouts
mee kunnen doen. Omdat je met deze activiteit naar buiten treedt,
besteed je veel zorg aan de voorbereiding en presentatie.
|
|
 |
Sport
- Leg uit wat het belang is van een
warming-up en een cooling-down en vertel hoe lang deze fasen duren.
Demonstreer de daarvoor benodigde losmakende en rekkingsoefeningen
op de juiste wijze.
- Verzamel informatie over goed
schoeisel, onder- en sportkleding, beschermingsmaterialen en de
vereiste lichamelijke verzorging na het sporten. Maak een collage
waar je deze informatie in verwerkt.
- Speel onder deskundige begeleiding
in verenigingsverband een teamsport of sport. Kies hiertoe
bijvoorbeeld uit: badminton, basketbal, boogschieten, cricket,
dammen, darts, handbal, honkbal, (ijs)hockey, jiu-jitsu, judo,
karate, korfbal, rugby, schaatsen, schaken, schermen, softbal,
squash, synchroon zwemmen, (tafel)tennis, turnen, valscherm zweven,
voetbal, volleybal, waterpolo en zwemmen.
- Zorg dat je van je sport de
officiële spelregels kent.
- Zorg dat je van een andere
teamsport of sport ook de officiële spelregels kent. Verzorg een
programma voor je ploeg of vendel, waar zij met de sporten kunnen
kennismaken.
|
|
 |
Sterrenkunde
- Verzamel informatie over de zon en
de maan en hun invloed op de aarde, de tekens van de dierenriem, de
tijdrekening, maanfasen, zons- en maansverduistering, sterren,
planeten, kometen en vallende sterren. Laat zien wat je ontdekt hebt
en illustreer dit met een plakboek, collages en dergelijke.
- Bepaal overdag de tijd met behulp
van de zon en 's nachts met behulp van de maan en sterren.
- Herken en teken de volgende
sterrenbeelden:
- Cassiopeia
- Cepheus
- Draak
- Grote Beer
- Kleine Beer
Lente:
- Leeuw
- Maagd
- Ossenhoeder
- Tweelingen
Zomer:
- Hercules
- Lier
- Schorpioen
- Zwaan
Herfst:
- Andromeda
- Pegasus
- Perseus
- Voerman
Zomer:
- Grote en kleine hond
- Orion
- Stier
- Zevengesternte
- Breng een bezoek aan een
planetarium of sterrenwacht.
- Maak een eenvoudige sterrenkijker.
Vertel hoe je de sterrenkijker gebruikt.
- Maak met behulp van je
zelfgemaakte sterrenkijker een eenvoudige maankaart.
|
|
 |
Surfen
- Demonstreren hoe je een plank moet
onderhouden en benoem de onderdelen.
- De plank correct (overeenkomstig
de lichaamskracht) tuigen en te water laten.
- Afvaren van de wal zonder in het
water te vallen.
- De volgende manoeuvres uitvoeren
en zeiltermen kennen:
- stand en bediening van het
zeil
- overstag gaan
- gijpen
- opkruisen in breed water
- Van het BPR de bepalingen kennen
voor kleine vaartuigen.
- Vijf keer in de juiste houding een
uitgezette olympische baan varen.
- Ongeveer 1 kilometer voor de wind
gaan en weer terugkruisen (dit alles zonder in het water te vallen
en met minstens windkracht 4).
- De noodmaatregelen toepassen en
veiligheid bij het surfen (onder)kennen. Onder andere onderkoeling
en gebruik van zwemvest.
|
|
 |
Textiele werkvormen
- Haak of brei een eenvoudige
kledingstuk, dat ook inderdaad door iemand gedragen zal kunnen
worden. In het kledingstuk zijn tenminste drie verschillende steken
verwerkt.
- Weten wat de gevolgen zijn van het
gebruik van verschillende dikten naalden, verschillende soorten
garens
- In staat zijn een eenvoudig, goed
afgewerkt kledingstuk naar patroon te maken. Patroontekens kunnen
lezen en het patroon kunnen overbrengen op stof. Om kunnen gaan met
een naaimachine en het verschil in gebruik tussen de meest
voorkomende steken kennen.
- Een eenvoudig gebruiksvoorwerp (pannelap,
schort, theemuts, tafelkleedjes) in elkaar zetten en versieren met
een van de volgende technieken:
- kruissteekjes
- patchwork
- applicatie
- doorstopwerk
- smyrna
- Op de hoogte zijn van de nieuwste
modetrends. Maak een college waarin je de nieuwste silhouet
bespreekt; de kleuren, de stoffen en de lijn van de mode. Maak
vergelijkingen met eerdere trends en geef een oordeel over de
draagbaarheid van de nieuwste kleding.
- In staat zijn eenvoudige
reparaties te verrichten (knopen aanzetten, zomen herstellen, sokken
stoppen) en weten hoe veel voorkomende vlekken bestreden worden.
|
|
 |
Tolk
- Met iemand in een andere taal een
gesprek kunnen voeren. Daarin iets over Scouting in Nederland
vertellen, de weg kunnen wijzen, boodschappen doen, wat vertellen
over de plaats waar je woont en een van je hobbies.
- De termen uit de Scouting-woordenlijst
in deze taal kennen.
- Verzamel informatie over het land,
de belangrijkste toeristische attracties, leef- en eetgewoonten en
Scouting. Maak hiermee een geïllustreerde brochure.
- Correspondeer 6 ronden met een
meisje of jongen uit dat land.
- Tolk 4 gesprekken van 2
leeftijdsgenoten.
|
|
 |
Toneel
- Doe mee aan een toneelstuk,
musical of pantomime van ongeveer 10 minuten.
- Stel voor jezelf kleding en
eventueel requisiten samen, waarmee je drie uiteenlopende typen kunt
uitbeelden. Verzin hiermee een verhaal, wat je samen met anderen
speelt.
- Bezoek een voorstelling in het
jeugdtheater of in de schouwburg. Vertel hierover in je vendel, of
schrijf er een stuk over in je groepsblad.
- Schmink iemand anders van je
vendel eerst zo griezelig mogelijk en daarna in allerlei
fantasie-kleuren.
- Voer naar keuze twee van de
volgende onderwerpen uit:
a. Een zelfbedacht verhaal vertellen
aan je vendel. b. Samen met anderen een schimmenspel opvoeren.
c. Met een marionetten- of poppenkastvoorstelling meespelen. d.
Een goochel voorstelling geven.
|
|
 |
Trapper
- Voer twee van onderstaande
activiteiten uit:
- 15 km. hardrijden op een fiets;
- 7,5 km. hardrijden op de
schaats;
- 5 km. hardlopen;
- 4 km. kanoën op tijd;
- 2 km. roeien op tijd;
- 500 m. zwemmen op tijd.
- Neem deel aan een postenprogramma,
dat bestaat uit:
Verplicht deel:
- een trappersbaan bestaande uit
8 onderdelen op tijd;
- 10 meter buikschuiven over
water;
- 6 meter touwklimmen en met
treksteek naar beneden klimmen;
- 2 km. cross country;
- 15 meter met handen en voeten
hangend aan een touw verplaatsen.
Keuzedeel (4 van de 7):
- 8 meter mastklimmen;
- schutting van 2 meter hoogte
beklimmen;
- over natte sloot van minstens
2,5 meter springen;
- yakardraaien of ropespinning;
- sluipen;
- vlegelhangen;
- paalwerpen.
- Loop een zwerftocht in onbekend
gebied met 1 andere scout. De zwerftocht moet minstens 35 km. lang
zijn en dient minimaal 3 km. in het donker te worden gelopen.
de
routebeschrijving bestaat uit summiere beschrijvingen, kaart- en
kompaspuzzels, spoortekens, oriëntatie op de sterren, en dergelijke.
|
|
 |
Valscherm zweven
- Algemene kennis van regeling
valschermzweven en B.V.R. hebben.
- Algemene theoretische kennis over
parachutes hebben.
- Op de juiste manier met het
materiaal omgaan:
- uitleggen parachute
- bollen
- aankoppelen
- Kennis van en bedrevenheid in het
geven van starttekens.
- 4 tandemvluchten maken, waarvan
tenminste 2 met verlengde stuurtokkels.
- Een logboek van je vluchten
bijhouden.
- Tenminste 3 vliegdagen bijwonen.
|
|
 |
Video/Film
- Met behulp van een video-recorder
een film opnemen, afspelen en wissen.
- Een top 3 maken van de
(video-)films, die jij goed vindt. Iets meer vertellen over het
verhaal, de hoofdrolspelers en de regisseur. Uitleggen wat je zo
goed vindt aan deze films.
- Samen met anderen een script en
scenario maken voor een (video-)film. De benodigde kostuums, schmink
en requisiten verzorgen.
- Weten welke techniek er bij het
maken van een film komt kijken. Waar moet je aan denken bij
belichting en geluid?
- De (video-)film opnemen en
monteren.
- Zoek bijpassende muziek bij de
film en monteer dit zo mogelijk zelf.
- Verzorg een feestelijke premiere
van de gemaakte (video-)film.
|
|
 |
Vliegeren
- De veiligheidseisen bij het
vliegeren kennen en deze toepassen.
- Bouw een vlieger die uit meerdere
delen bestaat, of bouw een matrasvlieger.
- Met een bestuurbare vlieger een 8
vliegen.
- Een vlieger ontwerpen, bouwen en
deze vervolgens oplaten en tenminste 15 minuten onafgebroken in de
lucht houden.
|
|
 |
Vliegtuig herkenning
- Een categorie vliegtuigen kiezen
en er een verzameling over aanleggen.
- Een vliegtuigherkenningsspel van
50 vliegtuigen samenstellen, waarvan je er zelf 45 herkent.
- Met je ploeg het
vliegtuigherkenningsspel doen.
|
|
 |
Wandelen
- Verzamel informatie over de juiste
(beschermende en reflecterende) kleding, schoeisel, EHBO-setje en
rugzak(je), die je tijdens een wandeltocht nodig hebt. Maak er
enkele instructieposters voor je vendel over.
- Vertel hoe je je voeten voor,
tijdens en na een wandeltocht dient te verzorgen.
- Demonstreer hoe je blaren,
zonnebrand, de beet van een teek en een verstuikte voet behandelt
tijdens een wandeling.
- De kaarttekens die op een
wandelkaart voorkomen kennen en met zo'n kaart een aangegeven
wandeling lopen.
- Verzamel informatie over
paalkamperen en de wettelijke regelingen die daarvoor gelden.
- Neem deel aan twee verschillende
wandelingen van minstens 20 km.
- Neem deel aan een natuurwandeling
die door organisaties als I.V.N., Natuurmonumenten en
Vogelbescherming worden gehouden.
- Geef op een kaart van Nederland de
verschillende L.A.W.-routes aan. (L.A.W.= Lange afstand wandelpaden).
Loop 1 zo'n route (ca. 20 kilometer) en maak onderweg wat foto's van
mooie punten, leuke voorvallen en dergelijke. Gebruik deze foto's om
in een fotostripverhaal je ervaringen te presenteren.
|
|
 |
Weerkennis
- Leg uit hoe een thermometer,
barometer en hygrometer werken.
- Bouw drie instrumenten. waarbij je
kunt kiezen uit: hygrometer, regenmeter, windsnelheidsmeter,
windwijzer en zonneschijnmeter.
- Houd gedurende 1 maand dagelijks
een zelfvervaardigd weerrapport bij. Daarin verwerk je jouw
waarnemingen van minstens 5 weersverschijnselen, waarbij je kunt
kiezen uit: hoeveelheid neerslag, luchtdruk, luchtvochtigheid,
temperatuur, windrichting, windsterkte en uren zonneschijn.
- Ga na waar de volksweerkunde op
berust. Ga de betrouwbaarheid van 5 van deze regels in de praktijk
na (bijvoorbeeld spreuken over dagen, of conclusies die uit het
gedrag van dieren zijn af te leiden).
- De belangrijkste klimaten,
luchtdruk- en windsystemen kennen en uitleggen hoe ze elkaar
beïnvloeden.
- De 10 hoofdtypen wolkensoorten
herkennen en wten welk weertype zij voorspellen. Weerkundige
begrippen zoals windkracht, schaal van Beaufort kennen.
- Eenvoudige weerkaarten kunnen
lezen en de betekenis van de daarop voorkomende grondsymbolen kennen.
- Breng een bezoek aan een (amateur)weerstation
en bekijk de daar gebruikte instrumenten en registratiemethoden.
Breng aan de hand van een collage, dia's of iets dergelijks hierover
een verslag uit aan je vendel.
|
|
 |
Werfbaas
- Weten welke verschillende
vaartuigen bij de waterscoutinggroepen gebruikt worden en de
onderdelen van deze vaartuigen kennen.
- Met je ploeg een vaartuig op het
droge halen en dit op de juiste wijze opbergen.
- Een vaartuig, rondhout, zeilen en
tuigage voor de winter kunnen opbergen.
- Kleine reparaties aan een vaartuig,
rondhout, tuig en tuigage kunnen beoordelen en uitvoeren.
Van de opdrachten 5 tot en met 7 moet
je er tenminste twee doen:
-
- Met je ploeg onder jouw
leiding een vaartuig schuren, schilderen en klaar maken voor het
zomerseizoen. Weten hoe je omgaat met resten verf, kwasten
reinigen e.d.
- Weten welke gereedschappen,
materialen en grondstoffen nodig zijn voor het vaarklaar maken.
-
- De soorten staaldraad en
touwwerk voor staand en lopend want kennen en deze aanbrengen.
- Verschillende soorten blokken
en hun onderdelen kennen, ze gebruiken en aanbrengen.
-
- De meest voorkomende soorten
tent- en zeildoek kennen en weten waarvoor ze worden gebruikt.
- De zeilplaat en -naald
gebruiken: een oogsplits om een kous maken en de zeilmakerssteek
kennen.
|
|
 |
Woudlopen
- De aanwezigheid van dieren in de
natuur kunnen vaststellen aan de hand van vraatsporen, prooiresten,
woningen, nesten, wissels en dergelijke. De prenten van 10
zoogdieren en silhouetten van 10 vogels herkennen.
- Weten hoe je je in de natuur kunt
camoufleren en sluipmethoden demonstreren. Bij zonsopgang of -ondergang
dieren bespieden en daarvan een verslag maken.
- Weten op welke wijze je kunt
vaststellen of planten eetbaar zijn. Dertig eetbare zaden, noten,
bessen, vruchten, wortels en bladeren herkennen (in verschillende
jaargetijden) en weten hoe deze bereid worden.
- Met zelfgemaakt vistuig een vis
vangen. Deze vis schoonmaken en bereiden. Vegetariërs bereiden een
maaltijd uit andere produkten.
- Het verschil uitleggen tussen:
rauwkost, geperste salades, blancheren, stoofpot, stomen, fruiten,
smoren, bakken, roosteren en poffen. Een voedzame maaltijd van
uitsluitend natuurlijk voedsel bereiden, waarin minstens 3 van deze
methoden worden toegepast.
- Een geschikte plaats voor een
houtvuur kiezen, weten wat de nadelen van een grondvuur zijn en hoe
je schade aan de grond voorkomt. Een houtvuur aanmaken zonder
gebruik te maken van lucifers of aansteker. Alternatieven voor
pannen kennen en deze gebruiken bij de bereiding van een maaltijd op
houtvuur.
- Voer een van deze activiteiten uit:
- een mand vlechten
- wol spinnen en er iets van
breien
- een lap weven
- Eenvoudige verwondingen met weinig
hulpmiddelen en.of produkten uit de natuur verzorgen.
- Met eenvoudig kampeermateriaal een
weekendkamp houden in de periode december-maart. Demonstreren hoe je
met simpele middelen warm en gezond blijft tijdens zo'n winterkamp.
- Een zwerftocht van minstens 48 uur
door onbekend gebied en met een minimum aan hulpmiddelen goed
volbrengen. De schaarse persoonlijke bagage vervoer je met een zelf
vervaardigd draagstel/rugzakje. Onderweg verzamel je natuurlijk
voedsel, dat op houtvuur bereidt wordt (brood en warme maaltijd). Je
overnacht in een schuilhut. Voor vertrek breng je het terrein weer
in de oorspronkelijke staat terug.
|
|
 |
Zeilen rood
- Boot en tuig 's winters en tijdens
het vaarseizoen onderhouden.
- De volgende zaken kennen:
- de onderdelen van het eigen
schip en de terminologie aan boord
- knopen en steken
- gedragsregels op het water
- het BPR, voor zover dit
betrekking heeft op zeilboten
- De volgende manoeuvres uitvoeren:
- aanleggen, afmeren en afvaren
van hoger wal
- onder alle omstandigheden de
juiste stand en bediening van de zeilen toepassen
- overstag gaan
- gijpen zonder noemenswaardige
koersverandering
- kruisen
- "man-overboord"
- loskomen van aan de grond
- verhalen van het schip
- Bepalen welke manoeuvres je moet
gebruiken om een bepaald punt te bereiken en de sturende werking van
fok en grootzeil beheersen.
- Een globale schatting maken van de
windkracht aan de hand van waarnemingen op het water en op het land.
- Een invallende bui of een opkomend
onweer kunnen zien aankomen en weten hoe je dan moet handelen, zowel
op het water als aan de kant en kunnen reven.
|
|
 |
Zeilen groen
De eisen voor het nautisch diploma zeilen
groen zijn vervangen door de eisen voor het CWO-diploma Kielboot II
|
|
 |
Zwemmen
- Veiligheidsvoorschriften
demonstreren voor zwemmen in onbekend en open water.
- Te water gaan met start-duik,
onmiddelijk gevolgd door 8 meter onder water zwemmen.
- Te water gaan met startsprong,
gevolgd door 25 meter schoolslag binnen 30 seconden.
- Gekleed te water gaan met
hurksprong, onmiddelijk gevolgd door 100 meter zwemmen. waarvan 25
meter rugzwemmen met zwemslag naar keuze.
(Gekleed = zwembroek/badpak,
T-shirt, blouse met lange mouwen, lange broek, kousen en gymschoenen)
- Te water gaan met een
rechtstandige sprong voorwaarts gestrekt in stand, onmiddelijk
gevolgd door 200 meter zwemmen zonder onderbreking, waarvan 50 meter
rugcrawl en 50 meter dubbele overarmslag op de borst.
- Van de 1= of 3=meterplank de
zweefsprong voorover gestrekt, gehoekt of gehurkt uitvoeren.
- 20 meter zwemmen met een polobal.
Uit rugligging 8 van de 10 ballen in een waterpolodoel werpen vanaf
7 meter afstand.
- Met je ploeg aan een van de
volgende spelen deelnemen:
|
|
 |
Zwemmend redden
(Als je in het bezit bent van het
KNBRD-brevet 5, kun je de eisen 1 t/m 8 overslaan)
- Staande aan de rand van het bassin
een lijn, reddingsboei of -klos werpen naar een pseudodrenkeling,
die zich op 10 meter afstand in het water bevindt. (Ten hoogste 2
pogingen). Hierna de pseudo-drenkeling inhalen en met hulp van een
derde de pseudo-drenkeling op de kant brengen.
- Op het droge achtereenvolgens de
handelingen ter bevrijding uit de enkele polsgreep, de dubbele
polsgreep van onderen, de dubbele polsgreep van boven, de
voorwaartse omklemming en de achterwaartse omklemming demonstreren.
In zwemkleding uitvoeren:
- Te water gaan van de basisrand met
de hurksprong. Vervolgens zwemmen met een borstslag naar een in
zwemkleding geklede pseudo-drenkeling en achtereenvolgens de
handelingen ter bevrijding uit de enkele polsgreep, de dubbele
polsgreep van onderen, de dubbele polsgreep van boven, de
voorwaartse omklemming en de achterwaartse omklemming demonstreren.
Na iedere polsgreep aansluitend de pseudo-drenkeling vervoeren over
een afstand van telkens 5 meter in de houdgreep. Na de overige
bevrijdingsgrepen telkens een afstand van 5 meter vervoeren in
respectievelijk de polsgreep en de okselgreep.
- Te water gaan van de bassinrand
met de startsprong, onmiddelijk gevolgd door 14 meter
onderwaterzwemmen.
- Te water gaan van de bassinrand
met de hurksprong en vervolgens een in zwemkleding geklede pseudo-drenkeling
over een afstand van 10 meter vervoeren in respectievelijk de
kopgreep, de okselgreep, de polsgreep en de schoudergreep. Deze
vervoersgrepen moeten achter elkaar worden uitgevoerd zonder het
contact met de pseudo-drenkeling te verliezen.
De volgende drie eisen moeten gekleed
gedaan worden. (gekleed = zwembroek/badpak, T-shirt, blouse met lange
mouwen, lange broek, kousen en gymschoenen.)
- Te water gaan van de bassinrand
met de hurksprong en vervolgens 10 meter zwemmen met de borstslag.
Daarna een pop van de bodem halen, die op tenminste 2 meter diepte
ligt.
- Een pseudo-drenkeling zwemmend
redden.
- Te water gaan van de bassinrand
met de startsprong, vervolgens 125 meter zwemmen in een borstslag.
Aansluitend 75 meter zwemmen met een enkelvoudige rugslag, waarbij
een stokje met twee handen, zoals bij de kopgreep, boven het water
moet worden vastgehouden.
- Kunstmatige beademing demonstreren
op een pop.
- Jezelf met een paalsteek en een
pseudo-drenkeling aan wal helpen in het zwembad.
- Weten wat je bij onderkoeling en
kramp moet doen.
- Vertellen hoe je, als je door het
ijs zakt, weer boven water kunt komen.
|
|
 |
Zwerven
- Toon tijdens een zwerftocht dat je
de volgende routebeschrijvingen beheerst: bolletjesroute,
bolletje-pijltje route, vectorroute, oleaat, blinde lijn, vliegkoers,
hiërogliefenroute en routeschets.
- Toon tijdens een dropping met je
ploeg, dat je:
- weet waarop je moet letten in
verband met de verkeersveiligheid
- zorg dat je de rust in je
omgeving niet verstoord
- in staat zijn kaart- en
kompaspuzzels op te lossen
- Pak je persoonlijke bagage,
voedsel en shelter voor een tweedaagse zwerftocht optimaal in een
rugzak in en geef daar een toelichting bij.
- Maak enkele instructieposters voor
onervaren scouts op je vendel, waar jij je materiaalkennis duidelijk
uiteen zet over: rugzaktypen, kleding en schoeisel voor een
zwerftocht, slaapzaktypen, slaapmatjes, shelters en schuilhutten.
- Maak een zwervers-logboekomslag,
waarin de uitgewerkte verslagen en opdrachten, routekaarten en
schetsen van de hierna te noemen zwerftochten worden verzameld. Een
van deze zwerftochten dient in de winter te worden uitgevoerd.
- Loop in een bekende omgeving een
tweedaagse zwerftocht met 1 of 2 andere scouts. De persoonlijke
bagage, shelter, voedsel en dergelijke dragen jullie in rugzakken
mee. Tijdens deze zwerftocht dien je in contact te komen met scouts
van een andere scoutinggroep. Met hen voeren jullie een opdracht uit,
die samenhangt met dienstverlening aan mensen die niets met Scouting
te maken hebben.
- Loop een primitieve, tweedaagse
zwerftocht met 1 andere scout in onbekende omgeving. De persoonlijke
bagage en schuilhut van landbouwplastic dragen jullie in rugzakken
mee.
- Bereid een driedaagse zwerftocht
in onbekend gebied voor, die je samen met 1 andere scout gaat maken.
De persoonlijke bagage, shelter/schuilhut, voedsel en dergelijke
dragen jullie in rugzakken mee.
De zwerftocht moet circa 45 km.
lang worden, waarbij minstens 8 km. op een afwijkende wijze moet
worden afgelegd. Voor de verplaatsing kun je kiezen uit: lopen, (bak-)fietsen,
varen of te paard. Maak van te voren een routeplan met
tijdsplanning, bepaal waar je gaat overnachten, koop het benodigde
voedsel in, kies een doel voor je tocht en ontleen daaraan meerdere
opdrachten.
|
|
|
|